Ruud van Megen: Pers artikelen
François Guyon (16 april '96)
François Guyon 1996: Een opera naar het verhaal van Francois Guyon de schuilnaam voor Balthasar Gerards, de moordenaar van Willem van Oranje. Het libretto werd geschreven door Ruud van Megen. Dirigent: Kees Olthuis De opera werd gemaakt In opdracht van De Delftsche Opera Compagnie. - Met financiële steun van het Fonds voor de Scheppende Toonkunst. - T.g.v. Delft 750 jaar Stadsrechten. - Cop. 1995. - Tijdsduur: ca. 130’. François Guyon: Begin mei van het jaar 1584 kwam Balthasar Gerards aan in Delft en nam zijn intrek in herberg De Diamant in de Choorstraat, een paar honderd meter van het Prinsenhof waar Willem verbleef. Hij verspilde geen tijd en begaf zich onder de schuilnaam François Guyon met een brief voor de prins naar het Prinsenhof: Omtrent t’beghinsel vanden Mey, is een man, out zijnde ontrent sessentwintich oft sevenentwintich jaren, middelbaer cort van persoone, ende slecht van ghedaente, ghecomen aenden persoone vanden Prince, ende heeft hem eenen brief ghegheven. Een paar dagen later werd Balthasar bij Willems adviseur Pierre Loyseleur de Villiers geroepen. Hij presenteerde zich hier als een protestantse edelman die uit Frankrijk was gevlucht en in dienst van de prins wilde treden en liet het zegel van Mansfelt zien. Willem en De Villiers kwamen tot de conclusie dat hun bondgenoten in Frankrijk wel iets aan het zegel zouden hebben en stuurden Balthasar eropuit. Dit kwam hem zeer slecht uit, maar aangezien hij in dienst van de prins was getreden kon hij niet weigeren. Een maand later werd hij echter weer teruggezonden. Van het reisgeld voor een nieuwe opdracht kocht hij op 8 juli twee pistolen van Franse soldaten. De moord op Willem van Oranje Balthasar begaf zich op dinsdag 10 juli 1584 rond het middaguur naar het Prinsenhof met de mededeling dat hij Willem wilde spreken. Willems vrouw Louise de Coligny schijnt nog bezorgd te hebben gevraagd wie dat ongure type wel niet was, maar werd gerustgesteld. Willem meldde Balthasar dat hij hem na het middageten te woord zou staan. Balthasar keerde terug naar de Diamant om zijn pistolen te halen. Kogelgaten als stille getuigen in het Prinsenhof Rond half twee verliet het gezelschap, onder wie Rombertus van Uylenburgh en Cornelis van Aerssen de eetzaal. Toen Willem van Oranje zijn voet op de eerste trede van de trap zette schoot Balthasar hem van dichtbij in de borst en de zij. De prins zakte in elkaar en sprak - volgens het officiële verslag - zijn beroemde laatste woorden: Heere Godt weest mijn siele ghenadich, ick ben seer gequetst, Heere Godt weest mijn siele, ende dit arme volck ghenadich (ook bekend in zijn Franse vorm: Mon Dieu, aie pitié de mon âme, et de ce pauvre peuple!). Balthasar vluchtte het Prinsenhof uit, op de hielen gezeten door soldaten en bedienden. Hij klom over de stadsmuur, maar voordat hij in het water kon springen werd hij in de kraag gevat. Waar hij precies heen had willen vluchten is niet bekend. In zijn verhoren is het hem blijkbaar ook niet gevraagd. [bewerken] Verhoor en executie Balthasar werd opgesloten in de gevangenis en legde op eigen verzoek een lange schriftelijke verklaring af over zijn beweegredenen. Nog diezelfde dag werd hij verhoord, maar liet niet veel los. De schepenen besloten tot foltering over te gaan, een destijds niet ongebruikelijke stap. De eerste nacht in de gevangenis werd Balthasar met roeden geslagen. Zijn wonden werden met honing ingesmeerd opdat een bok met zijne scherpe tong al leckende zijn vel metten honich afschrabben soude. De bok had er echter geen zin in. De rest van de nacht bracht Balthasar door met zijn handen aan zijn voeten gebonden. De beulen hingen hem een half uur lang op met aan iedere grote teen een gewicht van 300 (of 150?) pond. Hij praatte nog steeds niet genoeg en men deed hem te kleine schoenen aan van nat ongelooid hondenleer. Ze zetten hem voor een groot vuur zodat de schoenen krompen en zijn voeten brandden. Ze hielden gloeiende fakkels onder zijn oksels en staken naalden en spijkers tussen zijn nagels, maar Balthasar gaf geen krimp. Uiteindelijk werd de Utrechtse beul Jacob Michielsz erbij gehaald, maar Balthasar bleef standvastig en ter zake antwoordend. De betrokkenheid van andere mensen bij de aanslag werd niet aangetoond, maar Balthasar noemde wel de naam van Parma. Balthasar werd op 13 juli berecht. Het gerecht was van mening dat hij ten exempelen van allen anderen seer righoreuselijcken gehestraft [moest] worden. Ze veroordeelden de moordenaar tot een - ook voor zestiende-eeuwse begrippen - uiterst wrede straf. Hij zou de volgende dag naar het schavot worden geleid “omme aldaer eerst zijn rechterhant, daer hy het voorsz. verradisch moordadighe feyt mede bedreven heeft, met een gloeyende toesluytende yzer geschroyet ende afghebrant te worden, ende dat daer naer met gloeyende tanghen tot ses reysen ende verscheyden plaetsen so aen aermen, beenen, en t’gheen daer sijn lichaem meest met vleesch becleedt is, het vleesch uutgebrant en afghenepen sal worden, ende dat hij daer nae levendich aen vier quartieren ghehouden sal worden, beghinnende van onderen ende ten laesten hem den buijck opgesneden ende zijn hart levendich uuijtgenomen ende in sijn ansichte geworpen ende daernae zijn hooft affgehouden zal worden ende dat zijn vier quartieren opten bolwercken van der Haechpoorte, Oostpoorte, Ketelpoorte ende Waterslootschepoorte deser stede uuijtgehangen ende zijn hooft opte Schooltoorn achter het logement des voornoemden heeren Prince op een staecke gestelt, sullen worden, verclarende alle syne goeden geconfisqueert ten proffijte van den Heer.” In hedendaags Nederlands vertaald staat er: “Zijn rechterhand waarmee hij het moorddadige feit heeft gepleegd zal met een gloeiende tang worden afgeknepen; vervolgens zal men met gloeiende tangen op verscheidene plaatsen op zijn lichaam het vlees afknijpen tot op het bot. Vervolgens vierendele men hem levend waarna het hart uit zijn borstkas gesneden en hem in het gezicht zal worden geworpen. Tenslotte zal men zijn hoofd afhakken waarna zijn vier uiteengetrokken delen op de Haagpoort, Oostpoort, Ketelpoort en de Waterslootsepoort tentoongesteld dienen te worden. Zijn hoofd moet op een staak gespietst en vervolgens bij het voormalige huis van de prins worden geplaatst.” Willem en De Villiers kwamen tot de conclusie dat hun bondgenoten in Frankrijk wel iets aan het zegel zouden hebben en stuurden Balthasar eropuit. Dit kwam hem zeer slecht uit, maar aangezien hij in dienst van de prins was getreden kon hij niet weigeren. Een maand later werd hij echter weer teruggezonden. Van het reisgeld voor een nieuwe opdracht kocht hij op 8 juli twee pistolen van Franse soldaten.